Eerste participatielessen

 

Participatie blijkt helemaal niet ingewikkeld. Toch even wat Buurtalliantie lessen op een rij voor wie twijfelt aan zijn of haar capaciteiten om mensen te enthousiasmeren iets te doen voor hun buurt of buren. Overigens is het verplicht huiswerk voor gemeentes. De meesten hebben niet door hoe participatie werkt en ontmoedigen daardoor mensen die actief willen zijn.

 

“Bewonersparticipatie is altijd al de grote evergreen van het sociaal beleid geweest”, zegt Radboud Engbersen, programmaregisseur bij de SEV. “Maar nu is het menens. De overheid heeft in het publieke domein veel minder geld te besteden en wil de burger daarom meer laten doen.” Volgens Igno Pröpper, eigenaar van Partners en Pröpper, is er nog een reden waarom overheden participatie belangrijk vinden. “Burgerparticipatie wordt gezien als hèt middel om de kloof met de burger te dichten. Al tien jaar willen politieke partijen in gemeentelijke coalitieakkoorden daar meer werk van maken.”

 

Als we het over participatie hebben, gaat het globaal om twee dingen. Medezeggenschap, bijvoorbeeld meedenken over de inrichting van je buurt, en meedoen, waaronder het zorg dragen voor je buurt en buren valt. De eerste les is: er is in Nederland een groot onbenut altruïstisch potentieel, een term afkomstig van Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap. Test het zelf. Vraag aan je vriendenkring wie wat doet voor buurt of buurtgenoten en er gaan maar weinig handen omhoog. Vraag vervolgens wie wat zou willen doen, en je moet er niet van staan te kijken dat alle handen omhoog gaan.

 

De grote uitdaging is dat potentieel goed te gebruiken, concludeert Engbersen. “Dat kan, met moderne middelen en met een meer uitdagende medezeggenschaps­structuur. De medezeggenschap zoals die ooit georganiseerd is, vergrijst en sterft uit, ze werkt niet meer. Daarvoor in de plaats moeten uitdagende en aansprekende vormen van participatie komen.”

 

Les 2: Tijd, kracht en talent zijn de belangrijkste succesfactoren. Laten we met tijd en talent beginnen, want die zitten met elkaar in de knoop. Het aantal mensen dat door scholing talent heeft om dingen voor elkaar te krijgen is groot en neemt toe. Hun nadeel is echter, ze hebben weinig tijd. Daarom zeggen sommige van hen: “ik betaal toch belastingen?!” Maar vaak vindt ook de wil van deze groep mopperaars zijn weg en wordt men overblijfvader of geeft men op zondag les op scholen voor kids die in minder fortuinlijke omgevingen opgroeien. “Als je ze uitdagingen biedt,” zegt Engbersen, “gaan ze tijd maken. Daarom doen maatjes- of mentoraatprojecten het ook zo goed.” Uitdagingen bieden is dan ook Les 3 (maar zie ook lessen 7 en 8).

 

Er zit nog een knoop tussen tijd en talent. In Nederland bestaat een grote groep mensen dat geen of een laag opleidingsniveau heeft. Daarvan is weer een grote groep werkloos. De knoop is die van veel tijd en (nog te) weinig competenties. Engbersen windt zich dan ook op over de oproep van overheden en corporaties dat deze mensen meer verantwoordelijkheid voor hun complex, buurt of buurman moeten nemen. “Dat is een geweldige idee-fixe. Die kwetsbare mensen missen daarvoor vaak het talent en de kracht. Dus ze kunnen dat maar heel beperkt.”

 

 

 

Is dat dan de vierde les...? Niet bepaald, vinden alle participatiebevorderaars die te gast zijn Buurtalliantie-talkshows over het onderwerp (zoals Participatie anno NU en Succesvolle sleutelfiguren). Constance Bogers is innovator bij een kinderopvang, was jarenlang voorzitter van bewonersorganisatie Stationsbuurt in de Schilderswijk en zet zich gevraagd en ongevraagd in voor haar woonomgeving. Ze zegt: “In elk mens schuilt een talent. Omdat ik grenzeloos nieuwsgierig ben naar wat mensen doen en kunnen, krijg ik heel veel voor elkaar.” Bij alles wat ze bedenkt - en dat is veel, leuk en inspiratievol - maakt Bogers gebruik van het potentieel in de buurt.

 

Ook Rob van Veelen, participatiemakelaar bij stadsdeel Oost in Amsterdam vindt authentieke belangstelling voor de buurt en de mogelijkheden van zijn bewoners een belangrijke succesfactor voor participatie. “Kijk naar het sociaal kapitaal in de wijk en richt je op wat iemand kan en niet op wat iemand niet kan.” Als straatambtenaar verbindt hij burgers met elkaar of met organisaties, opdat hun droom kans van slagen krijgt. Van Veelen coachte Mustafah Aljedyan, een werkloze Marokkaanse man, bij het realiseren van een Schaakschool voor kinderen in de Indische buurt. [Zie eerste filmpje http://www.youtube.com/watch?v=MWeKpnt1KxI

 

Niet veel later is dezelfde Aljedyan het vanzelfsprekende aanspreekpunt voor het Concertgebouworkest dat graag iets wil doen met de Amsterdamse Marokkaanse gemeenschap. Dankzij Van Veelen en Aljedyan zijn er nu klassieke muzieklessen in krachtwijk Amsterdam-Oost en hebben 50 Marokkaanse families een klassiek concert bijgewoond.

 

Ook Constance Bogers verbindt steeds. Ze bedacht voor de kinderopvang het project Buurtverkenners, een soort scouting met de stad als wildernis. Een groepje kinderen ontmoet zo een man van Poolse origine, die een Oost-Europese delicatessenzaak heeft. Een kind vraagt: wat is Polen? De man legt het uit, maar zegt ook meteen toe kinderverhalen uit Polen op de opvang te komen vertellen. Van het een komt het ander... Dus les vier luidt: 'de buurt is een ontdekkingswereld', wees oprecht nieuwsgierig naar wat iemand kan en zet mensen in hun kracht.

 

En les 5: verbindt talenten met elkaar en met elkaars netwerk. Mensen komen vooruit als ze in elkaars netwerk kunnen opereren. En als je iemand bent die participatie wil bevorderen, dan is het ontwikkelen en onderhouden van een eigen netwerk onontbeerlijk. Het is een mobilisatiemacht. Je kunt je netwerk bij heel veel activiteiten inzetten.

 

Les 6 luidt eenvoudigweg: wees aanwezig. Rob van Veelen zegt: “In de buurt moet je zichtbaar zijn, bij wijze van spreke aanraakbaar.” Rob van Sprang, actief burger en lid van het wijkplatform in krachtwijk Arnhemse Broek, onderschrijft dat. De buurt weet dat hij de jongen van de ideeën is, degene die als ze willen met hun dromen aan de slag gaat. Tegelijkertijd is hij ook herkenbaar als iemand die gezag uitstraalt als dat nodig is. Hij bedacht het project De Speelgoedberg, naar aanleiding van ruzies tussen jongeren op en om het buurtplein. Er werden daar regelmatig auto's vernield. De Speelgoedberg werd een markt voor kinderen tot 12 jaar. De opbrengst ging naar Warchild, dat ook meedeed aan de dag. En voor het eerst in vele jaren, was er op Koninginnedag weer eens iets te doen in de Broek.

 

http://www.youtube.com/watch?v=DDCZAnSnNRU

 

Niet aanwezig zijn is het grote kritiekpunt op sommige welzijnsorganisaties. Hans Rasenberg, chef Wijkzorg Politie Haaglanden, en winnaar van de Hein Roethofprijs 2010, klaagt over een negen-tot-vijf-mentaliteit bij het maatschappelijk werk. “Daardoor krijgt de politie te veel oneigenlijke taken, zorgtaken bijvoorbeeld.”

Een bezoeker van een van de Buurtalliantie programma's stelt daarom voor opbouwwerkers te laten wonen in de buurt waarin ze werken. “We moeten in elk geval buiten werktijden bereikbaar zijn”, geeft een welzijnswerker daarop toe.

 

Les 7:Zielig doen is niet de bedoeling. “Rond de krachtwijken hangt de hardnekkige geur van problemen en zieligheid,” vindt Constance Bogers, “voor je er erg in hebt, geloof je er zelf ook nog in. Terwijl er heel veel leuke mensen in wijken wonen en je met een glimlach meer bereikt dan met een verordening.” Zo bedacht ze een schoonmaakproject waarbij kinderen huis aan huis gingen. Bewoners konden een bezem krijgen als ze meededen aan de actie ‘Ik houd mijn straatje schoon’. Plus een stickertje op de deur, zoals bij de kinderpostzegelactie.

 

Dat stickertje zou je de extra glans of een blijk van kwaliteit kunnen noemen. “Maak je activiteit sexy”, zegt Radboud Engbersen. Kwaliteit leveren is dan ook les 8. Bij een diner in het park hoort volgens Bogers vanzelfsprekend damast. In zo'n geval is een chefkok graag bereid oog te houden op de kwaliteit van de maaltijden die bewoners bereiden. Maar ook als een project een minder sexy uitstraling heeft, is kwaliteit de beste garantie dat burgers een volgende keer weer meedoen.

 

Een voorbeeld daarvan is het Rolmodellen-project van Hans Rasenberg. Jarenlang investeerde de buurtagent via bezoeken aan sportverenigingen, moskeeën en huisbezoeken in een netwerk dat inmiddels 240 mensen groot is. Dat levert hem al drie jaar op rij een incidentvrij oud en nieuw op in de buurt Escamp. Maar ook door het jaar heen helpt het netwerk hem bij het herstellen van respect voor politieambtenaren, tramconducteurs en ambulancepersoneel. En krijgt hij tips over kleine criminaliteit, kindermishandeling of radicalisering in zijn buurt.

 

Wees genereus is les 9. Meedoen is niet - of niet meer - vanzelfsprekend. Toen Rasenberg de gemeente vroeg om een kleinigheidje voor de mensen die met hun inzet weer miljoenen euro's schade hadden bespaard, kreeg hij nul op rekwest. Je inzetten is immers je burgerplicht, luidde het argument. Wellicht een aardige beweegreden uit de verzuilde jaren 1950, maar weinig effectief in de hedendaagse geïndividualiseerde samenleving. Bovendien stelt Rasenberg: “Veel mensen zullen het presentje niet eens aannemen.”

 

Les 10: Geld helpt, zeker als je wil dat mensen meedoen die het niet breed hebben. Geld geven is ook een vorm van vertrouwen geven aan bewoners die met een goed initiatief voor hun buurt komen. Daarom is het vouchersysteem ook zo'n succes, stelt Engbersen. “Veel mensen zijn gewend dagelijks ieder dubbeltje om te draaien en dat doen ze ook bij uitgaven voor hun project”, vult Rob van Sprang aan.

 

In een van de programma's valt in dit verband het woord transactioneel vrijwilligerswerk dat bezig is met een grote opmars in het land. Het gaat hier om allerlei constructies waarin mensen worden uitgenodigd diensten te leveren in ruil voor een kleine financiële prikkel. Rob van Veelen noemt de Timorpleincommunity, een netwerk van creatieve zelfstandigen, dat een aantal uren per week beschikbaar is voor bewoners of de buurt in ruil voor een kleine huurkorting.

 

Tot zo ver de lessen voor participatiebevorderaars. Tot slot nog een zevental aanwijzingen voor de gemeente en welzijnswerk dat graag wìl dat burgers participeren, maar soms ook de oorzaak is dat bewonersinitiatieven in de kiem worden gesmoord.

 

Les 1 luidt: Weet het niet beter. Wees een partner als een initiatief uit de buurt komt en stel je dienstbaar op als je overtuigt bent van de waarde van een project. Zowel Constance Bogers als Rob van Sprang hekelen de betweterigheid en het format-denken dat heerst op de burelen van de wijkaanpak. “Willen ze activiteiten van onderop, krijg je een menu waaruit je kunt kiezen”, aldus Van Sprang. Bogers: “Er is een groot gebrek aan creativiteit bij de gemeente. Er bestaat daar bijvoorbeeld één format bij een leefbaarheidswerkgroep en die groep moet zich dan gaan bezighouden met één ding: schoon, heel en veilig. Twee keer niks dus.”

 

Geef vertrouwen is les 2. Gemeentes zijn in hun diepste wezen wantrouwig tegenover burgerinitiatieven. Dat is volgens Rob van Veelen, zelf in dienst bij een gemeentelijke instelling, ook niet verwonderlijk. Het beleid van de gemeente wordt uiteindelijk beoordeeld op doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid. Ook is de gemeente altijd verantwoordelijk wanneer iets mis gaat. Dat verklaart volgens hem veel aarzelingen vanuit de gemeente maar rechtvaardigt die vaak niet. Burgers zijn tot veel in staat. Er zijn in zijn buurt zelfs initiatieven die complete taken van gemeentelijke diensten overnemen. Bijvoorbeeld een Marokkaans studentennetwerk dat in de Indische buurt gezinnen helpt bij opvoedkundige problemen.

 

Les 3 is, beperk de bureaucratie aan het begin van het traject, vraag om geringe verantwoording aan het einde. Constance Bogers noemt het voorbeeld van het jongerenparticipatieproject ‘Jouw idee, doe er wat mee’. “Dat loopt soms onnodig mis op de gigantische papierwinkel die de gemeente bedenkt om in aanmerking te komen voor een relatief kleine som geld.”

 

Als je gemeentelijk beleid is mensen in hun kracht te zetten, zet dan ook de mensen in hun kracht die dat heel erg goed bij anderen voor elkaar krijgen. Dat is de kern van les 4. “Sleutelfiguren zoals Rob van Veelen, Constance Bogers, Hans Rasenberg en Rob van Sprang stoppen ontzettend veel passie-uren in hun werk”, zegt Merlijn van Hulst, die namens Universiteit Tilburg onderzoek naar sleutelfiguren doet. “Ze staan er vaak alleen voor. Bureaucratische organisaties waarmee ze te maken krijgen, zijn niet ingesteld op dit type mens en het werk dat ze doen. Veel van hun energie gaat dan ook helaas verloren. Maar ze zijn goud waard voor hun buurt. Zet ze daarom in hun kracht.”

 

Wat er financieel ook gebeurt, reserveer voldoende geld voor goede initiatieven waarmee bewoners zelf komen, is les 5. De gewoonte in veel gemeentes is dat de pot met geld wordt verdeeld tussen de gemeentelijke instellingen en de welzijnsorganisaties. Hou gewoon wat apart!

 

Als er toch nog extra geld blijkt te zijn, investeer en experimenteer dan met nieuwe media. Gemak dient de hedendaagse mens, zeker als het gaat om medezeggenschap, aldus Radboud Engbersen, de bedenker van de Twitterflat, die deze les 6 inbracht.

 

Tot slot: Er is vaak veel aan de hand in de buurt, in een gezin, of met een persoon. Het kost tijd om veranderingen aan te brengen, om mensen weer mee te laten doen. Wees geduldig! Les 7.